Kabeljauw
De kabeljauw is herkenbaar aan zijn drie rugvinnen en 2 buikvinnen. Kan de richting van geluid bepalen. Ook is de kabeljauw de trotse bezitter van een kindraad. De rug en de flanken zijn bezet met vlekken. De beide aarsvinnen zitten recht boven de tweede en de derde rugvin. De kabeljauw kan maximaal 1,9 meter worden.
Op de kop van de kabeljauw bevinden zich de lekkerste delen. Vooral de wangen en de keel zijn delicatessen. De bekende kibbelingen worden vaak gemaakt van deze wangen en keeltjes, maar ook andere vissoorten en delen van de kabeljauw kunnen als basis voor deze 'gezonde' snack dienen. Kabeljauw wordt vaak gebruikt voor klipvis (gezouten en gedroogde vis), stokvis (gedroogde vis) en zoute vis (vis in pekel).
Vroeger mocht de benaming 'kabeljauw' pas gehanteerd worden als de vis een lengte had van 90 centimeter, wat gelijk was aan drie tegels in de vishal. De kleinere kabeljauw wordt 'gul' genoemd.
Paaitijd:
De kabeljauw paait in de periode van januari tot maart.
Vangwijze:
Met trailnetten en spannetten.
Vangstgebied:
Noordelijke Atlantische Oceaan, van de Golf van Biskaje tot Groenland, Spitsbergen en Nova Zembla.
Smaak:
Het visvlees van de kabeljauw is stevig maar laat makkelijk los als de vis gaar is. De smaak van kabeljauw is fijn en dus goed te combineren.
344 kJ / 82 kCal, 1 g vet, 18 g eiwit |