Oesters
Oesters hebben een dikke, onregelmatige ovale of ronde schelp en een gelaagd voorkomen en onregelmatige, golvende groeilijnen. De onderklep is afgeplat en valt in de diepere bovenklep. In de schelp ligt het lichaam omringd door vier donkere kieuwen. Een oester kan 18 cm lang worden.
Oesters leven in dichte oesterbedden (natuurlijk of gekweekt) op modder of slik, vaak in estuaria en inhammen. Ze zetten zichzelf vast aan rotsen, stenen, zeewier enz. met de linkerklep. Het oesterseizoen loopt van september tot april. In de maanden oktober, november en december zijn de oesters op hun best. Ze zijn dan romig en vol met vlees. In juni en juli zijn ze niet verkrijgbaar vanwege de voortplanting.
Oesters worden in mandjes met zeewier verpakt. Het zeewier houdt het vochtgehalte op peil en zorgt er bovendien voor dat de oesters niet beschadigen. Bewaar de oesters koel (3-5°C) in het mandje, nooit in water.
Het hoge zinkgehalte in oesters beschermt mensen tegen verkoudheid. Mensen die een tekort aan zink hebben zijn veel eerder gevoelig voor verkoudheden. Doordat oesters altijd vers en onbewerkt zijn, blijft het zinkgehalte in tact en wordt het beter door het lichaam opgenomen.
Vangwijze:
Met trailnetten en spannetten.
Vangstgebied:
Noordzee, Atlantische Oceaan en Middellandse Zee. De Portugese oester leeft langs de Spaanse kusten en in de Golf van Biskaje; hij wordt gekweekt rond de britse eilanden. beide zijn eetbaar.
Smaak:
De Zeeuwse oesters kunnen zowel rauw als gegrild geserveerd worden. Zeeuwse platte oesters hebben zo'n verfijnde smaak, dat het zonde is om ze verder te bereiden.
239 kJ / 57 kCal, 1 g vet, 6 g eiwit |